el ziet een boef

 

el is de zus van boer jaap.

el is in de schuur.

ze geeft melk aan de kat.

de kat likt de melk op.

dan komt el uit de schuur.

 

wat ziet el daar?

el ziet een boef.

een boef voor het huis van jaap.

de boef staat voor het raam.

 

 

wat moet el nu doen?

-          ga weg, boef!
of ik roep jaap.

de boef heeft een stok.

hij komt naar el.

de boef is groot.

wat kan el nu doen?

 

-          waf! waf!

daar is de hond van jaap.

hij bijt in de broek van de boef.

een keer, twee keer, drie keer...

de boef huilt van de pijn.

hij loopt weg.

dag boef!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ph. Thiran