bas is weg

 

bas is een hond.

hij woont bij boer tuur.

boer tuur is de baas van bas.

bas wil naar het bos.

 

 

in het bos woont een haas.

hij woont bij een boom.

vos is bij haas.

-          speel je mee, haas?
speel je mee met mij?

-          wat dan, vos?

-          een spel met een bal.
ik schop op de bal
en jij pakt de bal.

-          dat is fijn, vos.
ik speel mee!

vos schopt op de bal.

de bal rolt weg... weg van vos en haas.

 

 

 

 

 

daar is bas.

de bal rolt naar bas.

bas ziet de bal.

-          hoe komt die bal hier?

bas ziet nu haas en vos.

hij blaft heel luid.

haas loopt weg, weg van bas.

hij gaat diep in het bos.

bas loopt naar haas,

maar haas is snel.

 

haas is weg en bas is moe.

bas weet de weg niet meer.

hoe moet bas nu naar huis?

daar is vos,

hij komt naar bas

-          weet jij de weg niet meer?

-          nee, en ik wil naar huis, vos!

-          ik ken het bos goed.
ik toon je de weg.
waar woon je?

-          bij boer tuur.

 

bas is nu bij boer tuur.

boer tuur is boos.

-          waar was jij bas?

-          in het bos, baas.

-          jij mag niet naar het bos.
jij kent de weg niet!

 

boer tuur maakt een hok voor bas.

hij zet het hok bij de schuur.

en bas... die gaat niet meer weg.

hij blijft bij de schuur.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ph. Thiran